JouwEindexamen
Terug·VWO

Nederlands

Begrippenlijst

Bekijk alle begrippen per onderwerp of oefen ze als flashcards.

Kies links een onderwerp uit de hiërarchie. In overzicht zie je alle begrippen onder elkaar; in flashcards oefen je dezelfde selectie kaart voor kaart.

33 begrippen6 onderwerpen

Alle begrippen

33 resultaaten

Argumentatieschema's

Argumentatie op basis van oorzaak en gevolg

De schrijver wijst op een oorzaak om een gevolg aannemelijk te maken, of andersom. Hij zegt eigenlijk: "Omdat gebeurtenis A plaatsvindt, zal gebeurtenis B ook wel gebeuren". Dit schema wordt vaak gebruikt om de wenselijkheid van een maatregel aan te tonen.

Relevantie: Voor het examen moet je de stappen in een keten kunnen aanwijzen. In het examen van 2024 (tijdvak 2, vraag 7) moest je nadelige gevolgen samenvatten die in een oorzaak-gevolgketen werden beschreven over techbedrijven. Je moest precies aangeven hoe de ene ontwikkeling (nihilisme) leidde tot de andere (overname van ons leven).

Argumentatie op basis van kenmerk of eigenschap

De schrijver onderbouwt een standpunt door een typisch kenmerk van iets of iemand te noemen. Hij redeneert: "Als iets kenmerk X heeft, dan hoort daar ook oordeel Y bij". Het gaat hier vaak om definities of algemene regels over een groep.

Relevantie: Voor het examen moet je kunnen zien of een bewering gebaseerd is op een eigenschap. In het examen van 2023 (tijdvak 2, vraag 8) moest je schema's herkennen bij een tekst over het metaverse. Kenmerk was een van de juiste opties om aan te geven hoe het metaverse werd getypeerd.

Argumentatie op basis van voor- en nadelen

Dit schema wordt gebruikt wanneer er een keuze moet worden gemaakt. De schrijver somt de goede en slechte kanten van een plan op om te laten zien dat zijn standpunt (meestal voor of tegen het plan) logisch is. Het is een heel praktische vorm van redeneren.

Relevantie: Voor het examen komt dit vaak terug bij maatschappelijke onderwerpen. In het examen van 2021 moesten studenten een schema invullen met de voordelen en nadelen van het basisinkomen voor verschillende groepen, zoals AOW'ers en bijstandsgerechtigden. Je moet de informatie uit de tekst dus kunnen filteren op 'pluspunten' en 'minpunten'.

Argumentatie op basis van voorbeelden

De schrijver onderbouwt een algemene stelling door één of meer concrete gevallen (voorbeelden) te noemen. De gedachte is: als het in deze gevallen zo is, dan zal het wel voor de hele groep gelden. Het is een manier om een abstract onderwerp tastbaar te maken.

Relevantie: Voor het examen moet je kritisch kijken of de voorbeelden wel representatief zijn. In het examen van 2024 (tijdvak 1) werden boeken van de Jonge Jury als voorbeeld gebruikt voor 'pulp'. Je moest kunnen uitleggen welke kenmerken van deze boeken (zoals 'een kick najagen') door de auteur als representatief werden gezien voor slechte literatuur.

Argumentatie op basis van vergelijking

Hierbij worden twee verschillende situaties naast elkaar gelegd. De schrijver zegt: "In situatie A ging het zo, dus in de vergelijkbare situatie B zal het ook wel zo gaan". Dit schema is sterk als de situaties echt op elkaar lijken, maar zwak als er grote verschillen zijn.

Relevantie: Voor het examen moet je vaak 'historische analogieën' analyseren. In het examen van 2021 moesten studenten uitleggen waarom een vergelijking met de Duitse bezetting vaak als 'misleidend' werd gezien voor huidige besluitvorming. Je moet dus de verschillen tussen de situaties kunnen benoemen.

Argumentatie op basis van autoriteit

De schrijver roept de hulp in van een deskundige of een betrouwbare bron om zijn standpunt te ondersteunen. De gedachte is: "Deze expert zegt het, dus het zal wel waar zijn". Dit schema werkt alleen als de expert echt verstand heeft van het onderwerp waar het over gaat.

Relevantie: Voor het examen moet je de waarde van bronnen kunnen wegen. In het examen van 2025 (tijdvak 1) moesten studenten verklaren waarom bron 1 (een wetenschapper) betrouwbaarder was dan bron 2 (een columnist). Je moest benoemen dat de deskundigheid van de bron essentieel is voor de kracht van de argumentatie.

Argumentatiestructuren

Enkelvoudige argumentatie

Dit is de simpelste vorm van argumenteren. Er is één standpunt en één argument dat dit ondersteunt. Je kunt dit schema lezen als: "Ik vind X, want Y" of "Y, dus X". Het is een directe lijn van reden naar mening.

Relevantie: Voor het examen is dit vaak de basis, maar let op: op VWO-niveau is de argumentatie bijna nooit alleen maar enkelvoudig. Je ziet dit vaak terug in korte fragmenten of in citaten waarbij je de redenering moet uitleggen.

Onderschikkende argumentatie (ketenargumentatie)

Bij onderschikkende argumentatie wordt een argument zelf weer ondersteund door een ander argument, een zogenaamd sub-argument. De schrijver denkt dat het eerste argument niet sterk genoeg is en geeft daarvoor extra bewijs. Je krijgt dan een ketting: "Ik vind X, want Y, want Z". Z ondersteunt Y, en Y ondersteunt X.

Relevantie: Voor het examen moet je kunnen zien welk argument welk ander argument ondersteunt. In het examen van 2022 (tijdvak 2) werd bij een vraag over de Easterlin-paradox gevraagd om een schema in te vullen waarbij een argument (beperkte data) weer werd ondersteund door een sub-argument (data alleen uit Japan en de VS). Je moet deze hiërarchie goed kunnen onderscheiden.

Nevenschikkende argumentatie

Bij nevenschikkende argumentatie ondersteunen twee of meer argumenten gezamenlijk het standpunt. Er zijn twee vormen: onafhankelijk (elk argument is op zichzelf al genoeg) en afhankelijk (de argumenten hebben elkaar nodig om het standpunt te bewijzen). Bij onafhankelijke nevenschikking kun je een argument weghalen en blijft het standpunt nog steeds overeind staan.

Relevantie: Voor het examen moet je vaak 'argumenten voor een oordeel' noemen. In het examen van 2024 (tijdvak 2, vraag 29) moest je argumenten indelen bij thema's. Dit was een vorm van nevenschikkende argumentatie: verschillende thema's (zoals gezondheid en ontspanning) werden onafhankelijk van elkaar gebruikt om aan te tonen waarom roddelen nuttig kan zijn.

Beoordelingscriteria voor argumentatie

Aanvaardbaarheid van feitelijke uitspraken

Een feitelijke uitspraak is aanvaardbaar als hij controleerbaar waar is. Dit kan omdat je het zelf kunt zien, omdat het algemeen bekend is, of omdat een betrouwbare bron het bevestigt. Als een feit niet klopt of niet te controleren is, verliest de hele argumentatie zijn kracht.

Relevantie: Voor het examen moet je kunnen checken of de feiten wel kloppen. In het examen van 2024 (tijdvak 2, vraag 6) werd gevraagd waarom een kritische lezer een bron zou kunnen afwijzen. Het antwoord was dat de bron (Paul Nederveen) onduidelijk was over waar hij zijn informatie vandaan haalde. Zonder controleerbaarheid is een feit waardeloos op het examen.

Betrouwbaarheid van bronnen

Een bron is betrouwbaar als hij aan drie eisen voldoet: de maker is deskundig op het gebied, hij heeft geen eigenbelang bij de uitkomst, en hij spreekt zichzelf niet tegen. Een bron die geld verdient aan zijn advies (bijv. een reclamefolder) is minder betrouwbaar dan een onafhankelijke onderzoeker.

Relevantie: Dit is een van de belangrijkste 'nieuwe' vraagtypen op het examen. In het examen van 2024 (tijdvak 1, vraag 33) moest je vier kenmerken noemen waarom een bron betrouwbaar overkwam. Je moest kijken naar de inhoud en stijl, zoals het gebruik van wetenschappelijke termen of een objectieve toon, zonder de auteur zelf te noemen.

Relevantie van argumenten

Een argument is relevant als het ook echt iets te maken heeft met het standpunt en dit aannemelijker maakt. Soms noemen schrijvers dingen die wel waar zijn, maar die niets bewijzen voor hun stelling. Die argumenten noemen we dan irrelevant.

Relevantie: Voor het examen moet je kunnen filteren. In het examen van 2022 (tijdvak 1) werd gevraagd of bepaalde zorgen van een expert ook echt terugkwamen in de tekst. Als een argument niet direct sloeg op de politieke zorgen van die expert, was het niet relevant voor die specifieke vraag.

Consistentie van argumentatie

Argumentatie is consistent als de verschillende argumenten elkaar niet tegenspreken. Als een schrijver in alinea 1 zegt dat we zuinig moeten zijn en in alinea 3 dat we veel geld moeten uitgeven aan luxe, dan is hij inconsistent. Dit ondermijnt de geloofwaardigheid van de hele tekst.

Relevantie: Voor het examen moet je soms uitleggen waarom er geen sprake is van een tegenstrijdigheid. In het examen van 2024 werd gevraagd of een negatief oordeel over pulp eenduidig was. Je moest een citaat vinden dat bewees dat de schrijver wel degelijk consequent bleef in zijn oordeel.

Toereikendheid van argumentatie

Argumentatie is toereikend (voldoende) als de argumenten samen sterk genoeg zijn om de lezer te overtuigen. Eén klein voorbeeldje is vaak niet genoeg om een hele grote bewering te ondersteunen. De schrijver moet genoeg bewijs leveren om alle twijfel weg te nemen.

Relevantie: Voor het examen wordt dit vaak getoetst bij de 'kritische lezer' vragen. Een kritische lezer vindt de argumentatie vaak 'niet toereikend' omdat er te weinig bewijs is. In het examen van 2022 (tijdvak 3) werd dit gevraagd bij de 'breindrijvers' tekst: de argumenten waren niet voldoende om het menselijk handelen volledig tot het brein te reduceren.

Drogredenen

Onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema

Dit gebeurt wanneer de schrijver onterecht een verband legt tussen twee zaken. Bijvoorbeeld omdat de oorzaak niet groot genoeg is voor het gevolg, of omdat er toevallig twee dingen tegelijk gebeuren die niets met elkaar te maken hebben (bijv: "Sinds ik elektrisch rijd, krijg ik geen bekeuringen meer").

Relevantie: Voor het examen moet je dit kunnen herkennen in complexe teksten. In het examen van 2024 (tijdvak 2, vraag 28) was optie C een onjuist beroep op oorzaak-gevolg. Je moest inzien dat een onderzoek naar roddelen niet zomaar kon worden doorgetrokken naar een conclusie over alle menselijke interacties.

Onjuist beroep op een kenmerk- of eigenschapsschema

De schrijver let op één kenmerk maar vergeet andere belangrijke eigenschappen. Bijvoorbeeld: "Die man draagt een duur pak, dus hij zal wel verstand hebben van economie". Het pak is een kenmerk, maar zegt niets over zijn kennis.

Relevantie: Voor het examen komt dit vaak voor bij het typeren van groepen mensen. In het examen van 2024 (tijdvak 1, vraag 20) werd een uitspraak over economen die voor hun baan moeten vrezen als drogreden aangeboden.

Overdrijven van voor- of nadelen

De schrijver maakt de gevolgen van een actie veel groter dan ze in werkelijkheid zijn. Dit doet hij om je bang te maken of juist heel enthousiast. Bijvoorbeeld: "Als we deze wet niet aannemen, is het morgen gedaan met de democratie".

Relevantie: Voor het examen moet je dit kunnen aanwijzen bij teksten met een sterke toonzetting. In het examen van 2021 werd bij de tekst over kernenergie gevraagd of een uitspraak over de opbloei van de economie 'te sterk was uitgedrukt'. Dit is een vorm van overdrijven.

Vals dilemma

De schrijver doet alsof je maar uit twee uiterste dingen kunt kiezen, terwijl er nog veel meer mogelijkheden zijn. Bijvoorbeeld: "Je bent voor dit plan, of je haat de natuur". Het dwingt je in een hoek waar je niet uit kunt.

Relevantie: Voor het examen moet je de 'verborgen' opties kunnen zien. In het examen van 2022 (tijdvak 3) moesten studenten uitleggen dat de keuze tussen 'economie redden' of 'klimaat redden' een vals dilemma was, omdat er ook duurzame economische modellen bestaan.

Overhaaste generalisatie

Op basis van één of enkele voorbeelden wordt een conclusie getrokken voor een hele grote groep. Bijvoorbeeld: "Mijn opa rookte als een ketter en werd 90, dus roken is niet gevaarlijk".

Relevantie: Voor het examen is dit een klassieker. In het examen van 2022 (tijdvak 3, vraag 15) trok een personage een conclusie over de hele generatie twintigers op basis van slechts één voorbeeld. Je moest dit specifiek benoemen als een overhaaste generalisatie.

Verkeerde vergelijking

Twee zaken worden vergeleken die op cruciale punten van elkaar verschillen. Bijvoorbeeld: "In een ziekenhuis moet je ook betalen voor een bed, dus waarom zou een gevangenis gratis moeten zijn?".

Relevantie: Voor het examen moet je de verschillen kunnen benoemen. In het examen van 2021 (tijdvak 1) werden historische analogieën besproken. Je moest kunnen uitleggen waarom bepaalde vergelijkingen met het verleden niet klopten omdat de huidige maatschappij totaal anders is ingericht.

Onjuist beroep op autoriteit

Er wordt een bron aangehaald die niet deskundig is, belanghebbend is, of zichzelf tegenspreekt. Bijvoorbeeld een tandpasta-reclame waarin een acteur een witte jas draagt om een tandarts na te doen.

Relevantie: Voor het examen moet je de achtergrond van de bron checken. In het examen van 2024 (tijdvak 2, vraag 28) moest je herkennen dat een bepaalde bron ondeskundig was voor het standpunt dat werd ingenomen.

Persoonlijke aanval (ad hominem)

In plaats van in te gaan op de argumenten, valt de schrijver de persoon aan die het standpunt inneemt. Hij zegt bijvoorbeeld dat de ander dom is, onbetrouwbaar is of slechte eigenschappen heeft.

Relevantie: Voor het examen moet je de focus op de persoon herkennen. In het examen van 2024 (tijdvak 1, vraag 20) was de uitspraak "Deze mensen zijn in de war" een duidelijk voorbeeld van een persoonlijke aanval.

Ontduiken van de bewijslast

De schrijver weigert argumenten te geven. Hij zegt dat het standpunt 'vanzelfsprekend' is of dat de ander maar moet bewijzen dat het niet zo is. Hiermee blokkeert hij de discussie.

Relevantie: Voor het examen komt dit vaak voor bij 'kritische lezer' vragen. In het examen van 2024 (tijdvak 2, vraag 28) was optie E de ontduiking van de bewijslast.

Cirkelredenering

Het standpunt en het argument zijn eigenlijk hetzelfde, maar dan in andere woorden. Je bewijst niets nieuws. Bijvoorbeeld: "Ik vind dat een goed boek, want het is erg mooi geschreven".

Relevantie: Voor het examen moet je de herhaling kunnen zien. In het examen van 2024 werd bij de vragen over 'mooie verhalen' en 'mooie lezers' gevraagd naar de logica; dit neigde naar een cirkelredenering.

Vertekenen van een standpunt (Stropop)

De schrijver geeft de woorden van zijn tegenstander expres fout weer om ze makkelijker te kunnen aanvallen. Hij maakt een 'karikatuur' van de mening van de ander.

Relevantie: Voor het examen moet je de tekst van de tegenstander vergelijken met wat de auteur erover zegt. In het examen van 2019 en 2021 werd dit getoetst bij teksten over moreel besef bij dieren en politici.

Bespelen van publiek

De schrijver gebruikt emoties of vooroordelen van het publiek om gelijk te krijgen, zonder inhoudelijke argumenten te gebruiken. Bijvoorbeeld: "U bent toch ook een verstandig mens, u ziet toch ook wel dat...".

Relevantie: Voor het examen moet je letten op retorische vragen. In het examen van 2024 (tijdvak 1, vraag 20) was de vraag "Of moeten de economen ook voortaan voor hun baan vrezen?" een manier om angst bij het publiek op te roepen.

Elementen van een redenering

Standpunt (stelling)

Een standpunt is een uitspraak waarvan de schrijver vindt dat deze waar is, maar waarvan hij weet dat anderen eraan kunnen twijfelen. Je herkent een standpunt vaak aan woorden als 'ik vind', 'volgens mij' of 'dus'. Er zijn drie soorten standpunten: positief, negatief of een standpunt van twijfel. Soms is een standpunt 'impliciet', wat betekent dat het niet letterlijk in de tekst staat, maar dat je het moet afleiden uit de argumenten.

Relevantie: Voor het examen moet je heel precies de hoofdwaarde van een tekst kunnen aanwijzen. In het examen van 2021 (tijdvak 2, vraag 30) moest je het impliciete standpunt van tekst 4 formuleren op basis van de eerste twee alinea's. Je moest daaruit afleiden dat de auteur vond dat de overheid zich te veel door geld liet leiden bij digitalisering in het onderwijs. Het is dus cruciaal dat je niet alleen naar de woorden kijkt, maar ook naar de bedoeling.

Argument

Een argument is de onderbouwing van een standpunt. Het geeft antwoord op de vraag: 'Waarom vind je dat?'. De schrijver gebruikt argumenten om jou te overtuigen van de aanvaardbaarheid van zijn standpunt. Je kunt argumenten herkennen aan signaalwoorden zoals 'want', 'omdat' en 'immers'.

Relevantie: Voor het examen moet je vaak een lijstje van argumenten uit een tekst halen. In het examen van 2024 (tijdvak 1, vraag 29) moest je vijf argumenten geven voor een positief oordeel over het boek 'De engelenmaker'. Hierbij moet je heel specifiek zijn en precies die zinnen selecteren die direct het oordeel ondersteunen.

Tegenargument

Een tegenargument is een uitspraak waarmee een schrijver een standpunt probeert te ontkrachten. In een goede tekst noemt een schrijver vaak zelf al de tegenargumenten van zijn tegenstanders. Dit doet hij om te laten zien dat hij de andere kant ook heeft bekeken, wat hem betrouwbaarder maakt. Een tegenargument maakt een standpunt minder aanvaardbaar.

Relevantie: Voor het examen is het essentieel om te zien wanneer de schrijver 'iemand anders' aan het woord laat. In het examen van 2023 (tijdvak 1, vraag 9) moesten studenten per argument uit alinea 1 een tegenargument vinden in de rest van de tekst. Je moest bijvoorbeeld vinden dat hoewel reizen slecht is voor het klimaat (argument), het ook positieve sociale gevolgen heeft (tegenargument).

Weerlegging

Een weerlegging is de reactie van een schrijver op een tegenargument. Nadat de schrijver een tegenargument heeft genoemd, probeert hij dit direct ongeldig te maken. Hij laat zien dat het tegenargument niet klopt of minder belangrijk is dan zijn eigen argumenten. Dit versterkt zijn eigen positie in de discussie.

Relevantie: Voor het examen moet je de structuur 'Tegenstander zegt X, MAAR ik zeg Y' kunnen herkennen. In het examen van 2021 (tijdvak 1, vraag 28) moest je de kern van een weerlegging weergeven. De auteur weerlegde daar een berekening van Rutger Bregman door te zeggen dat deze onvolledig was en dat het voorstel daardoor onbetaalbaar werd.

Tekstsoorten

Betogende tekst (betoog)

In een betogende tekst wil de schrijver je overtuigen van zijn of haar gelijk. De schrijver neemt een duidelijk standpunt in en gebruikt argumenten om dit te ondersteunen. Vaak merk je dat de toon subjectief is; de mening van de auteur staat centraal. Het uiteindelijke doel van een betoog is dat jij als lezer het standpunt overneemt of dat je overgaat tot een bepaalde actie.

Relevantie: Voor het examen moet je kunnen herkennen wanneer een tekst niet alleen informatie geeft, maar echt een mening probeert te 'verkopen'. In het examen van 2022 (tijdvak 1) bij de tekst 'Alles is gemaakt om kapot te gaan' moest je bijvoorbeeld beoordelen of de tekst getypeerd kon worden als een betoog of een beschouwing. Je kreeg punten als je zag dat de auteur een oordeel velde over de moderne maatschappij en niet alleen maar feiten opsomde. Dit soort vragen komt vaak voor aan het begin van het examen om te toetsen of je de algemene strekking begrijpt.

Beschouwende tekst (beschouwing)

Een beschouwing is bedoeld om je aan het denken te zetten over een bepaald onderwerp. De schrijver belicht een kwestie van verschillende kanten door bijvoorbeeld voor- en nadelen te noemen of verschillende experts aan het woord te laten. In tegenstelling tot een betoog, dwingt de schrijver je niet om een specifiek standpunt in te nemen, maar geeft hij je de informatie om zelf een mening te vormen. Het doel is 'opiniëren': je helpen een eigen oordeel te vormen.

Relevantie: Voor het examen moet je het verschil zien tussen een auteur die een kant kiest en een auteur die neutraal blijft. In het examen van 2022 (tijdvak 2) werd gevraagd naar de toonzetting van een tekst over geluk. Je moest herkennen dat de tekst 'beschouwend en licht moralistisch' was. Dit betekent dat de tekst je informatie gaf over onderzoek naar geluk (zoals de Easterlin-paradox), maar je ook een beetje een lesje wilde leren over hoe we met geld omgaan.

Uiteenzettende tekst (uiteenzetting)

Een uiteenzetting heeft als doel je te informeren of iets uit te leggen. De schrijver is objectief en gebruikt feiten, cijfers en verklaringen om een stand van zaken te beschrijven. Je zult in een zuivere uiteenzetting geen persoonlijke mening van de auteur vinden. Het gaat erom dat jij als lezer begrijpt hoe iets werkt of wat de feiten zijn over een bepaald onderwerp.

Relevantie: Voor het examen is dit vaak de 'makkelijkste' tekstsoort om te herkennen, maar de vragen erover kunnen lastig zijn. In het examen van 2022 (tijdvak 1) werd bij tekst 1 een schema gevraagd waarin je een constatering, probleem en gevaar moest invullen. Hoewel de tekst kenmerken van een betoog had, was dit specifieke gedeelte uiteenzettend: de auteur legde uit hoe het internet technisch in elkaar zit. Je moet dus per tekstgedeelte kunnen bepalen wat het doel is.